Kunst komt van kunde of ambacht. Maar tegenwoordig doelen we hiermee op het maken van mooie dingen vooral om te zien en of te horen. Ik heb een tijd lang als journalist voor een festival verschillende organisaties bezocht waar mensen met een verstandelijke beperking bezig waren om kunst te maken. Deze mensen met een beperking waren in staat om mij te verrassen. Eenmaal tijdens het festival merkte ik wel op dat ik met een heel andere bril naar de theateroptredens keek dan de bezoekers. Dit kwam natuurlijk doordat ik had gezien hoe het tot stand was gekomen. Dit is waar kunst zijn kracht uithaalt. Het feit dat mensen inzien dat iets kunst is. Het ambachtelijke kunnen herkennen en erkennen. Maar we kijken niet meer op zo een manier. Kunst heeft in mijn ogen teveel met identiteit te maken en dat is heel erg jammer. Het hoort niet zo te zijn.
Kunst is creëren, het maakt niet uit of dit iets volkomen nieuws is of een aanpassing tot. Het briljante van kunst is dat het de ogen kan openen tot een nieuwe of andere wereld. Niet letterlijk, maar wel figuurlijk. Je kunt dingen door kunst in aan ander licht gaan zien. We leven in een zelfontworpen constructie van de realiteit, wat natuurlijk op zichzelf al een hele kunst is. Maar hoe groter die constructie wordt, hoe moeilijker het ook wordt het nog van buiten te aanschouwen. Dat is precies waar kunst aan bij draagt. Het biedt een autonoom oog dat je verplicht een autonome positie in te nemen. Deze kan revolutionair van aard zijn, maar ook conformistisch. Toch is kunst ook nog een stuk meer. Het is het verfijnde en exemplarische voorbeeld van onze evolutie door de tijd heen. Het geeft een beeld van wie we zijn en van wie we ooit waren.
Heidegger stelt dat door kunst een ´ontberging´ van een wereld tot stand komt. Dit is volgens hem niet het kunstwerk, maar wij zelf die daar verantwoordelijk zijn. Het kan dus de ogen openen tot een andere realiteit. Wittgenstein was eerst overtuigd dat taal alleen realiteit aanduidt, een volledig absoluut. Later zou hij nu juist de waarde in zien van begrip. Taal is niet alleen iets dat zonder meer alleen bestaat uit de zender naar de ontvanger. Er zijn zoveel processen die er voor zorgen dat taal betekenis mee krijgt. Daarom is literatuur ook kunst, omdat er meer wordt geprikkeld dan alleen het lezen van de woorden. Woorden zijn dood maar de betekenissen die we ze geven zijn springlevend en daarom ook altijd onderhevig aan verandering.
Zijlstra stelt in zijn tekst dat esthetica universeel is als voorbeeld neemt hij Piet Mondriaan. Niet iedereen zal zich aangetrokken voelen tot het onderwerp, maar voor de kunde die het nodig heeft zal overeenstemming zijn. Zoals Hume stelt zal iedereen met een goed ontwikkelde smaak in de kunst, een autoriteit in de kunstwereld, de waarde er van inzien. Salvador Dali, die zo een autoriteit genoemd mag worden, was vernietigend is zijn oordeel over Mondriaan. Toch geloofde ook Dali in de universele esthetica die hij verbond met pure spiritualiteit. Sommige kunstenaars worden bespot tijdens hun leven om later gevierd te zijn. Die universele esthetica is blijkbaar niet aanwezig. Want zelfs in de kunstwereld is het blijkbaar moeilijk om buiten de constructie van de realiteit te blijven als je een oordeel geeft. Kant had een punt toen hij zei dat oordelen belangeloos en zonder kennis hoort te zijn, maar blijkbaar is dat toch niet evident. Hij beweerde ook dat je pas onderscheidende kwaliteit kon herkennen als je verzadigd bent. Persoonlijk vind ik de honger naar iets nieuws boeiender.
