Wat is Tijd

Het volgende is een essay over Tijd, geschreven in 2014 voor mijn Minor Praktische Filosofie

Als onderwerp voor mijn essay heb ik Tijd gekozen. De reden hiervoor is dat ik bijzonder geïntrigeerd ben door twee aspecten van tijd. Het eerste aspect is de beleving van zogenaamde tijdloosheid die men ervaart tijdens meditatie of tijdens een drugstrip. De andere is de intuïtieve timing die vooral in de topsport heel belangrijk is.

Ik bewonder de esoterisch-filosofische ideeën van Bergson, maar mijn conceptie van tijd is misschien nog wel een stuk spiritueler. Ik geloof namelijk in het goddelijke karakter van het universum, net als Guatama Siddharta de bekendste van alle Budhha’s. Het enige verschil is dat ik geloof in absolute imperfectie, omdat alleen niks perfect kan zijn. In imperfectie zit de beweging die essentieel is voor het bestaan van de Tijd. Ik geloof dan ook niet in een despotische God, maar vind de leer van het monotheïsme wel interessant. Zo ook de denkbeelden van de vader van de Christelijke filosofie Augustinus. Ik ga proberen hun theorieën en de natuurkundige theorie over Tijd aan elkaar te binden.


1. Natuurwetenschap

In de wetenschap wordt vaak nagedacht over causaliteit, de oorzaak van dingen. Om tot een verband te komen moet er een exacte bepaling zijn. Als die er niet is dan kan een kleine fout in een complexe som een groot verschil maken. Hume zei dat je slechts van causale verbanden mag spreken als je op grond van het bestaan of de activiteit van een object met zekerheid kunt zeggen dat het voorafgaat dan wel gevolgd wordt door een ander bestaan of activiteit. Stephen Hawking zei daarom ook terecht dat wetenschappers vanaf de Big Bang moeten nadenken, want wat daarvoor was dat kunnen we niet weten. In die zin is het dus vrij lastig om iets causaals aan de factor tijd mee te geven. Aangezien iets in wezen niet voor of na tijd kan bestaan, want dat zou niet bestaan impliceren. En hoe kan iets eerst niet zijn en daarna wel om vervolgens weer niet te zijn. Einstein vond dit ook een belachelijke gedachte en had het daarom cynisch over de “Big Bang.”

Toch kunnen we wel spreken over het verleden en over de toekomst. De grote vraag die wetenschappers en filosofen door de eeuwen bezig houdt is of er een meetbaar nu is. Op basis van de theorie van de kwantummechanica beredeneren sommige natuurkundigen van wel. Dit moment ook wel Plancktijd of kwantumtijd genoemd is een ondeelbaar moment. Dit was dus ook het tweede moment van het universum, immers de Big Bang was het eerste moment. Volgens deze theorie van de kwantumtijd bestaat er dus een fragmentering van tijd en springen we dus in werkelijkheid van moment naar moment.

De lengte van dit moment is zo klein dat elke vergelijking die je zou willen maken mank gaat. Het is één seconde gedeeld door een één met negenveertig nullen. Het kleinst mogelijke dat natuurkundige hebben kunnen meten is een attoseconde. Een attoseconde verhoudt zich tot een seconde zoals een seconde zich weerhoudt tot de leeftijd van het universum. De Plancktijd weerhoudt zich nog vele malen verder van een attoseconde. Over zo iets kleins en duizelingwekkends praat men dan.

2. Bergson

Bergson: Het leven zelf is een stroom, is durée, en juist deze durée is voor het verstand onverteerbaar, maar voor de intuïtie volkomen verstaanbaar. Daarom kunnen we vaststellen dat intuïtie een hoger kenvermogen heeft dan het verstand. (…) Alleen de intuïtie doet het leven beleven en is daardoor sympathiserend in zijn eigen bestaan.”

Bergson oppert dat in de tastbare of fysieke werkelijkheid fragmentering ook daadwerkelijk kan bestaan zoals de natuurkundigen beredeneren met de Plancktijd. Bergson stelt alleen dat boven de natuur uit de metafysieke realiteit staat en deze kenmerkt zich door een voortdurend zijn. Deze laat zich niet kennen in fysieke termen, want het is de spirituele wereld.

Zijn filosofie doet mij denken aan een verhaal dat ik ooit schreef over het ontstaan van het universum. Ooit was er alleen de zelf die leefde binnen het tijd continuüm. Er was toen nog geen materie en daarom ook niks om op te reflecteren. Uit dit wezenlijke gebrek ontstond het ego, de materie dus. In een tastbare realiteit is ook tastbare oftewel meetbare tijd nodig. Materie (het ego) laat zich kennen door mechanica, maar het spirituele (de zelf) heeft een vrije wil.

Tegenwoordig laten we de meetbare tijd het leven bepalen. We bakenen het af via een agenda. Als we zeggen dat we iets niet in onze eigen tijd gaan doen, kan dat soms een metafysische betekenis hebben. In de praktijk hebben we het dan over het algemeen over een indeling van kloktijd. Op die manier lijkt tijd iets dat buiten ons om bestaat. We kunnen geen macht uitoefenen op de tijd. Een uur blijft een uur.

Toch lijkt tijd intuïtief wel beweeglijk. We ervaren tijd anders. De ene keer duurt het lang, dan de andere keer een stuk korter. Toch kan het voorkomen dat je op de klok leeft zonder er mee bezig te zijn. Zoals Kant die altijd op tijd was met zijn wandeling volgens de overlevering. Ik werd vroeger als kind vaak om klokslag drie uur wakker. Het zit in je geprogrammeerd door je intuïtie binnen de duur.

Bergson wordt bekritiseerd omdat hij te poëtisch was. Voor hem bestond verleden niet uit een realiteit maar uit gedachten. Het verleden verandert door het heden. In werkelijkheid is dat natuurlijk niet zo. Maar hij gebruikt dat idee om aan te geven dat de toekomst niet voorspelt kan worden. Immers de gedachte kan het verleden veranderen dus de toekomst kan niet gedetermineerd zijn.

3. Het bovennatuurlijke

Augustinus: “God is eeuwig in de zin van tijdloos; in God bestaat dus geen eerder of later, maar alleen een eeuwig nu. (…) Hij ging niet aan zijn eigen schepping van de tijd vooraf, want dat zou inhouden dat hij ‘in’ de tijd is, terwijl hij eeuwig buiten de stroom van de tijd staat.”

Uit bovenstaande uitspraak kun je duidelijk halen dat Augustinus net als Bergson een onderscheid maakt tussen de fysieke en metafysieke wereld. God is in deze het metafysieke. Daar kun je in principe de daimonen ook bij rekenen. In de joods-christelijke traditie heeft het woord daimon een negatieve connotatie gekregen, maar het stamt waarschijnlijk af van wezen der lotsbepaling. Hoewel hoogstwaarschijnlijk gedramatiseerd werd over Socrates gezegd dat het soms leek of hij buiten de tijd leefde als hij diep in gedachte was. Sokrates was er van overtuigd dat hij werd geleid door een daimon. Mijn eigen beleving zit hier niet ver vanaf. Ook ik heb bovennatuurlijke ervaringen gehad waarin ik in trance over zeer veel dingen nadacht.

Augustinus geloofde in de voorzienigheid zoals het een goed christelijke geleerde betaamt. Voorzienigheid wordt vaak gezien als het waken van God, maar het betekent in essentie meer. Het wijst op een vooruit geraamd beeld dat God soms aan de profeten kan tonen. Door een blik te geven op het pad (het tijd continuüm) waar de mens zich op bevindt probeert God de mens richting te geven. Volgens Bergson kan voorzienigheid niet bestaan. Waarschijnlijk omdat hij de gedachte als te deterministisch beschouwde. In mijn filosofisch esoterische visie kan dit wel. Ik geloof namelijk dat wij een eigen wil hebben, maar dat de meeste mensen door gebrek aan inzicht in een determinerend pad zitten. Dit komt vooral omdat wij ons richten op aspecten buiten onszelf waardoor we niet onze geest aan de materie kunnen opleggen, maar we zijn subject geworden van de willoze materie. Hierdoor is er een logische analyse te maken van wat komen gaat. Bergson waarschuwt hiervoor en zegt dat als we zo blijven denken een ontzielde wereld overblijft. Bergson spreekt daarom ook wel over levenselan een kracht die ervoor zorgt dingen veranderen. Dat dingen die nog niet waren ontstaan.

4. Conclusie

Als conclusie wil ik aan Plato refereren. Ik zie de kloktijd of biologische klok als een belichaming van de praxis. Het is de manier waarop de natuur ordening aanbrengt in de materie. De aarde draait om zijn as, om de zon en gaat door nog grotere cycli in het universum. Deze vatten we in dagen, jaren en ga zo maar door. Je komt dus telkens op eenzelfde plek terug, maar toch is het essentieel anders. Zeven maal per week geeft de klok middennacht aan, maar geen enkele keer is de situatie hetzelfde. In die tussenfase heeft de natuur iets geleerd en dat proces beschouw ik als evolutie. Het tijd continuüm (duur) is poiesis en dat is dat proces van creëren dat zo essentieel is binnen de evolutie. De natuur moet maken en daarvoor is er dus een continue stroom van tijd. Deze ontstaat dus door het verleden en vormt de toekomst. Maar alle wegen leiden naar Rome. Ik denk namelijk dat het begin en einde van de materie vaststaat. Maar wat er geleerd wordt dat staat niet vast. Dat is het proces van spirituele zelfontwikkeling, waarbij de materie oftewel het ego heel belangrijk is.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *