Inleiding
Veel mensen zien the Big American Dream als verleden tijd omdat het systeem buitengewoon onrechtvaardig is geworden. In dit essay probeer ik een beeld te krijgen en te schetsen wat een aantal denkers er over denken, dachten of zouden kunnen denken op basis van hun filosofie. Laten we beginnen met de geschiedenis van het kapitalisme. Ten tijden van de reformatie begonnen de protestanten het innen van rente op geleend geld koosjer te vinden. Vooral Calvijn was een groot voorstander van een dergelijk systeem. Deze moest dan wel gebaseerd zijn op soberheid, nijverheid en eerlijkheid.
Hiervoor was dat vooral iets wat Joden deden en dat was ook de reden voor een heersend antisemitisme geweest. De Katholieke kerk was namelijk landeigenaar en daarmee een schuldenaar. De kleine Joodse gemeenschappen in Europa zaten veel handelaren en zodoende konden zij geld lenen. De rooms-katholieke denkers waren daarom tegen rente geweest. Als gevolg van de veranderingen in Europa waren denkers werknemers geworden van de verscheidende universiteiten. Dit veranderde hun opvatting over schuldenaars en schuldeisers. Deze beweging werd ook mede aangejaagd door de Europese ontdekkingsreizen en het daarmee samenhangende belang van samenwerking van verschillende kooplieden om producten uit verre landen te halen.
Later zou John Locke het belang van voorzichtigheid als kernpunt nemen in zijn visie op een gezonde kapitalistisch liberale samenleving. Hij geloofde diep in de harmonie tussen persoonlijke doelen en het algemene belang. Er moest vooral nagedacht worden over plannen voor de lange termijn. Keuzes moesten afhangen op een structureel te volgen pad. En uiteindelijk keek God mee, dus wetten waren niet nodig. Men zou bewust zijn van de Voorzienigheid en op basis daarvan deugdzaam handelen. En als men iets verkeerd deed dan wist iedereen dat die persoon niet zou ontkomen aan de toorn van de Heer. Hij stelde dat de ethische wetten axioma’s zijn. Ze zijn dan wel niet te verklaren niemand zal er aan twijfelen dat ze waar zijn.
Betoog
The Big American Dream
In het land van de grote liberaal kapitalische droom, de Verenigde Staten, is onderzoek gedaan naar wat het juiste kapitaalverschil zou moeten zijn. Dit onderzoek werd gedaan onder een representatief gedeelte van de bevolking. Het onderzoek werd uitgevoerd door Michael Norton en Dan Ariely. De reden voor het onderzoek was de filosofie van John Rawls, de filosoof waar ik later op terug zal komen, en zijn idee van een rechtvaardige samenleving. Allereerst vroegen zij de mensen in welke samenleving men zou willen leven qua kapitaalverschil. Ze gaven drie mogelijkheden en moesten kiezen op basis van het idee dat ze niet wisten in welke kapitaalmachtige groep ze zouden zitten. De drie mogelijkheden waren de Amerikaanse situatie, de Zweedse en een volledig communistisch idee van gelijk kapitaal. Opvallend genoeg koos zevenenveertig procent van de mensen voor het Zweedse model en drieënveertig procent van de mensen voor het communistische model. Slechts één op de tien mensen zou voor het Amerikaanse model kiezen als ze niet wisten tot welke groep ze zouden behoren.
Hierop vroegen Norton en Ariely aan mensen wat ze rechtvaardig kapitaalverschil vonden op basis van hun eigen situatie. Ze hoefden dus niet meer rekening te houden met de kans dat ze in een andere situatie zouden komen. Ze namen het gemiddelde van negentien van de twintig mensen. De uitkomst was op zijn zachts gezegd bijzonder. Zo bleek dat men het kapitaalverschil in Amerika onrechtvaardig vonden en zij stelden dan ook een veel eerlijkere verdeling voor. Dit is niet gek als je het vorige experiment neemt. Opmerkelijk was vooral hun notie van de werkelijkheid. Zij dachten dat het verschil in kapitaal in het Amerikaanse systeem, dat zij dus oneerlijk vonden, veel eerlijker was dan het in werkelijkheid is.
Het ideaal dat men voor ogen had stelde dat ongeveer tien procent van het geld in handen moest zijn van de armste twintig procent. De top twintig procent bezat daarmee gemiddeld drie maal meer kapitaal, want dertig procent van het kapitaal. Een vrij eerlijke situatie die te vergelijken is met die van Zweden waar dit verschil ook te zien is. Hierna vroegen ze wat men dacht dat op dit moment het kapitaalverschil zou zijn. Hier kwam uit dat men dacht dat ongeveer drie procent van al het kapitaal in handen is van de armste twintig procent. De top twintig procent zou volgens het panel het twintigvoudige bezitten dus nog meer dan de helft.
Het wrange aan dit verhaal is dat de realiteit in de Verenigde Staten onnoemelijk veel erger is. Op dit moment bezit de armste twintig procent van de bevolking één duizendste van het algehele kapitaal. Dit staat in schril contrast tot de vijfentachtig procent die de top twintig procent bezit. Zelfs als je de armste veertig tegen de top veertig tegen elkaar afzet is het verschil immens. De armste twee vijfde van de bevolking bezit drie duizendste en de rijkste twee vijfde van de bevolking zesennegentig procent. De middenklasse mag zich blij rekenen met net iets minder dan vier procent van het kapitaal. Het laatste cijfer dat naar voren komt is misschien nog wel de meest exorbitante. Binnen de rijkste groep bezitten de allerrijksten, de één procent waar de occupy-beweging tegen ageert, bijna vijftig procent van al het geld. Dat is veertig procent van het complete kapitaal in de Verenigde Staten.
Rechtmatig kapitaalverschil volgens utilistisch denken
John Stuart Mill
John Stuart Mill liberaal en belangrijk filosoof van de negentiende eeuw stelde vast dat het handelen en spreken van mensen nimmer geheel vrij kan zijn. Mill maakte een verschil tussen vrijheid in de persoonlijke sfeer en vrijheid in de gemeenschappelijke sfeer. In de persoonlijke sfeer ben je volledig vrij en kan niemand voor jou bepalen wat wel of niet kan. Daar stond tegenover dat men zich binnen de gemeenschappelijke sfeer aan regels moest houden. Belangrijk uitgangspunt dat hij nam was dat hij vond dat wanneer een handeling of een uitspraak de vrijheid van een ander op een negatieve manier beïnvloedde dat deze onethisch is. Degene die deze begaat dient daarop aangesproken te worden. Hij vond dus dat je vrij bent om te doen wat je wou zolang dit niet iemand anders zijn vrijheid ontnam.
Persoonlijke ontwikkeling moest dus voor iedereen mogelijk zijn. Dit moet zelfs te allen tijde gestimuleerd worden. Mill ziet de mens als een niet mechanisch wezen en daarom moeten er ook geen regels zijn die de energie van de mens inperkt. De attributen die een mens mee krijgt moeten hem niet afgepakt worden om een eerlijkere samenleving te krijgen. De mens moet wel altijd gestimuleerd worden om na te denken over het pad waarop hij zit. Hij moet niet uitgaan van een status quo, maar is ethisch verantwoordelijk voor de keuzes die hij maakt en vooral de manier waarop hij zijn positie in de samenleving gebruikt. Hij kan zich daarom niet zomaar beroepen op zijn vrijheid om te handelen.
Mill zet zich niet alleen af tegen het idee van ongelimiteerde vrijheid, maar hij stoort zich vooral aan conformisme. Hij stelt dat als mensen zich gaan identificeren met een groep dat er een klasse-identiteit ontstaat. Dit zou de kracht van het individu inperken en ervoor zorgen dat men alleen nog in termen van groepsidentiteit gaan denken. Mill vindt dat we nu juist onze natuur moeten volgen en niet ons laten inperken door de tralies van een cultureel bepaalde opvatting. Hoe meer een mens zichzelf kan en mag zijn, hoe meer hij van belang is voor de samenleving. Disposities hoeven van hem niet opgeheven te worden om de wereld zogenaamd eerlijker te maken. De idee dat hier achter zou schuilen is volgens Mill namelijk onrechtvaardig. Hij prijst de ervaring die komt kijken bij dat verschil en hij ziet het vooral niet zitten dat een overheid kapitaal afpakt van een individu. Pas als aantoonbaar is gemaakt dat je op een oneerlijke en laaghartige manier munt slaat uit je positie ben je immoreel bezig. Dit gedrag moet afgekeurd worden door de samenleving. In het geval het hier om ernstige gevallen van dit gedrag gaat dan moet er bovendien een passende straf worden gegeven door de rechterlijke macht.
Als het gedrag van een persoon door een groep of individu als immoreel wordt bestempeld en de persoon heeft alleen zichzelf ermee of benadeeld er geen ander mee, dan mag men niet ingrijpen. De groep of het individu is natuurlijk vrij om de persoon er op aan te spreken of anderen voor de persoon te waarschuwen. Maar als hier dwang bij komt kijken dan is niet de persoon die zogezegd immoreel bezig was verkeerd, maar de groep of individu die deze dwang oplegt fout. Mill heeft ook een duidelijke mening over verkeerd met geld omgaan. Hij stelt dat men niet geholpen moet worden en dat degene met zijn slechte gedrag zelf verantwoordelijk is. Mochten er anderen door benadeeld worden dan dient de persoon bestraft te worden.
Peter Singer
Hedendaags filosoof Peter Singer benadrukt dat de rijken verantwoordelijk zijn voor de armen. Daarom stelt hij voor om een deel van het kapitaal in het Westen te besteden aan de armoede in de Derde wereld. Zo zou een filantroop geen geld moeten besteden aan kunst, maar het geld moeten investeren in het oplossen van ernstige ziektes in Afrika. Singer ziet ook in dat fondsen en goede doelen een slechte naam hebben gekregen en is daarom een groot voorstander van onafhankelijke entiteiten die waken over mogelijk misbruik van het geld.
Conclusie
Het is duidelijk dat zowel volgens Mill als volgens Singer de huidige situatie indruist tegen een bepaalde rechtvaardigheid. Zij zien het vooral als een systeem dat het algemene geluk tegenwerkt. Als we stil staan bij de situatie in de Verenigde Staten dan is het lastig om te beweren dat alle rijke mensen misbruik maken van hun situatie. Daarom is het moeilijk hard te maken dat ze daarvoor berecht dienen te worden. Mill stelt wel vast dat de rest van de bevolking alle recht heeft verontwaardigd te zijn tegenover de één procent rijkste mensen van de Verenigde Staten. Toch zou hij niet staan te juichen om de idee van Singer om een zware belasting op te leggen om zodoende een eerlijkere situatie te creëren. Daarbuiten zoals Pekelharing stelt leven mensen niet alleen in armoede doordat ze slachtoffer zijn van een systeem, maar ze zijn zelf ook vaak schuldig aan die situatie. Mill zou dit onderkennen en mensen wijzen op hun eigen verantwoordelijkheid.
Toch kan het niet ontkent worden dat in de Verenigde Staten je sociaaleconomische positie wel voor een groot gedeelte bepaald of je wel of niet bestraft wordt voor hele foute financiële beslissingen. Zo zijn er mensen die een hypotheek nemen waaraan teveel risico´s hangen en daarom straatarm worden. Tegelijkertijd krijgt de expert die de hypotheken heeft bedacht een gouden handdruk alvorens hij kan vertrekken. Volgens Mill zou bij een eventuele rechtszaak de persoon die straatarm is geraakt geen eiser kunnen zijn, het is mede zijn eigen schuld. Toch betekent dat niet da de expert er mee weg hoort te komen. Hij dient berecht te worden door het Openbaar Ministerie op grond dat hij de samenleving onrecht heeft aangedaan.
John Stuart Mill eindigt zijn betoog in het hoofdstuk Over de grenzen van het gezag in het boek Over vrijheid met een opmerkelijke uitspraak over het moment waarop politici niet meer de grondrechten kunnen verdedigen. “Als dit het geval is dan hoe eerder zo’n beschaving de laan uit wordt gestuurd, hoe beter. Het kan dan alleen nog maar erger worden, tot zij te gronde gaat en, zoals het West-Romeinse Rijk, nieuw leven krijgt ingeblazen door energieke barbaren.” Als we kijken naar hoe de Verenigde Staten ten prooi is gevallen aan roofkapitalisten, die in dienst staan van de oligarchie, dan is dit een duistere voorspelling.
John Rawls en distributieve rechtvaardigheid
John Rawls
John Rawls zet zich af tegen de opvatting dat vrijheden verhandelbaar kunnen zijn voor geld dan wel nut. Dat maakt hem een tegenstander van het utilisme van Mill en Singer als van de huidige neoliberale situatie in de Verenigde Staten. Zoals de meeste tegenstanders van het utilisme ziet hij niet in hoe je het geluk van allen kunt kwantificeren om daarmee een som te maken die de kwaliteit van de samenleving toont. Hij denkt meer volgens een Kantiaans principe dat stelt dat je mensen niet tot middel kunt maken voor een groter doel. Om er voor te zorgen dat de rechten en plichten van ieder individu wordt gewaarborgd is hij een groot voorstander van het sociale contract. Je zou kunnen zeggen dat in een democratisch systeem we een stilzwijgend sociaal contract hebben. Je stemt dan op een partij en daarna wordt er een meerderheid gevormd en dan wordt de wil van de meerderheid vervuld. Het onderzoek van Norton en Ariely heeft aangetoond dat dus niet waar is. Want als je uitgaat van de notie dat Amerika gebaseerd is op de wil van het merendeel van het volk dan blijkt daar in de praktijk weinig van waar te zijn.
Wat is er gebeurd in de Verenigde Staten dat dit verschil zo groot heeft gemaakt. Dit komt door de introductie van het laisser-faire. Dit betekent dat de markt de vrije hand kreeg. Zodoende is er een sterke positie voor de oligarchie ontstaan. Deze heeft zich zodoende vanaf het begin van de jaren 80 opgewerkt tot de kern van de trias politica in de Verenigde Staten. Deze volledig neoliberale opvatting heeft de grondvesten van de politiek op losse schroeven gezet. De oligarchen hebben ook geen probleem ervoor uit te komen dat ze geen belang hechten aan sociale rechtvaardigheid. Zo is te lezen in de biografie van David Rockefeller, de grootste bankier van de twintigste eeuw en broer van voormalig vice-president van de Verentigde Staten Nelson Rockefeller. Daarin is te lezen dat hij trots is op het feit dat hij achter de schermen de belangen van de bevolking van de Verenigde Staten tegenwerkt.
“Sommige mensen gaan zelfs zo ver om te beweren dat mijn familie in het geheim de belangen van de Verenigde Staten (lees bevolking) schaadt. Ze omschrijven ons als internationalen die samen met anderen over de wereld samenzweren om een beter geïntegreerd politiek en economisch stelsel, een nieuwe wereldorde te creëren. Als dat de beschuldiging is dan ben ik schuldig. En ik ben er trots op ook.”
Rawls was daarom ook een bijzonder grote tegenstander van de laisser-faire. Op basis van de uitkomsten van Norton en Ariely hebben aanhangers van Rawls een goede basis om zich af te vragen of het systeem nog wel gerechtvaardigd kan worden.
Rawls stelt drie axioma’s voor die essentieel zijn in een rechtvaardige samenleving. Deze zijn als volgt:
- Je moet de middelen die burgers toelaten hun levensplan zo goed mogelijk te realiseren, eerlijk verdelen; wat mensen met die middelen doen, is hun eigen verantwoordelijkheid.
- Sommige vrijheden zijn niet ‘verhandelbaar’: minder vrijheid zal nooit aanvaard worden in ruil voor, bijvoorbeeld, meer inkomen.
- Niet de totale omvang van de beschikbare middelen, maar de verdeling van de beschikbare middelen is belangrijk.
Rawls pleit dat er te allen tijde een status quo als rechtvaardigheidsprincipe hoort te zijn. Dit houdt in het kort in dat je moet redeneren vanuit de notie dat je iedereen binnen de samenleving kan zijn; man of vrouw, zwart of wit, rijk of arm. Je hebt geen kennis die er voor zorgt dat je anders over rechtvaardigheid zou denken dan het feit dat je weet dat je bestaat. Zodoende zal je een rechtvaardig besluit maken voor eerlijke voorwaarden in het sociale contract dat je aangaat. Hij noemt dit de sluier der onwetendheid die in veel opzichten te vergelijken is met de categorische imperatief van Kant.
Het systeem dat volgens Rawls hieruit voortvloeit, beroept zich op de eis dat iedereen de kans moet krijgen dat te bereiken dat men wil. Dit systeem is gebaseerd op de spelregels van de distributieve gelijkwaardigheid. Dit houdt in dat wanneer men kapitaal verdient dat de persoon dit geld onder andere gebruikt om te investeren in de situatie van de minder bedeelden. Dit idee is overigens kenmerkend voor het oorspronkelijk kapitalistische idee van Adam Smith waarin geld moet rollen. Alleen dan valt, volgens Rawls, het systeem dus te rechtvaardigen. Men kan zodoende geen munt slaan uit de eigen situatie om zodoende anderen te onderdrukken. Maar zoals uit het onderzoek van Norton en Ariely blijkt zijn zelfs mensen die wel bewust zijn van hun situatie bereidt om het systeem een stuk meer egalitair te maken.
Conclusie
Ondanks dat Rawls een bijzonder goede opsomming maakt van wat er nodig is om een rechtvaardige samenleving te kneden valt er op zijn persoonlijke invulling ervan wel wat aan te merken. Zo ziet hij vooral een systeem voor zich waarin de onderkant van de samenleving een goede kans krijgt om buiten de armoedegrens te leven. Toch vind hij het niet erg als er mensen extreem veel geld verdienen. Als die dat geld maar gebruiken om te investeren in de minder bedeelden. Maar dan kom je al gauw bij het existentiële principe uit dat je toch afhankelijk bent van je toevallig bruikbare talent om een goed leven voor je zelf op te bouwen. En als je niet de mogelijkheid daar toe hebt dat je afhankelijk wordt van mensen die dat talent wel hebben. Een van de belangrijke uitgangspunten van Rawls is dat talent niet mee zou moeten tellen. Dat is dus praktisch onmogelijk.
Ook de situatie waarin je opgroeit, valt uiteindelijk niet te sturen. Zou je willen dat deze situatie zich wel voordoet dan moet je opteren voor het Utopia van Plato, waarin je kinderen losmaakt van hun omgeving en leert deugdzaam te zijn. Rawls ziet zo een dergelijk Utopia niet voor zich. Voor hem gaat het alleen om het in theorie nadenken over een dergelijke situatie. Dat zorgt er volgens hem automatisch voor dat mensen deugdzaam zullen zijn. Er is alleen wel een probleem met dit idee. Het volledig inleven in de ander, de zogenaamde alteriteit, is nu juist heel erg moeilijk. Je eigen gedachtes loskoppelen van wie je bent is praktisch onmogelijk.
Ooit stelde iemand Rawls een hypothese voor. Wat te doen met iemand die niks doet dan een beetje surfen. Die dus geen wezenlijke bijdrage levert aan de samenleving. Moet je deze persoon dan toch financieel bijstaan. Rawls heeft hier geen eenduidig antwoord op kunnen geven. Zijn theorie blijft, net als die van Kant, vaak hangen in de theorie. In de praktijk zal er nog veel moeten gebeuren wil je tot een dergelijke samenleving die Rawls voor ogen heeft toekomen.
Bibliografie
Mill, J. S. (1978). Over vrijheid. Amsterdam: Boom.
Norton, M., & Ariely, D. (2011, februari 3). Building a Better America-One Wealth Quintile at a time. Opgehaald van Harvard Business School: http://www.people.hbs.edu/mnorton/norton%20ariely%20in%20press.pdf
Russel, B. (1946). Geschiedenis van de Westerse Filosofie. Londen: Allen & Unwin.
Sandel, M. J. (2009). Rechtvaardigheid; wat is de juiste keuze. New York: Farar, Straus & Giroux.
Singer, P. (2011). Ik vind dat we ons moeten bekommeren om iedereen, waar dan ook. Filosofie Magazine.
Vandenbroucke, F. (2002). Een theorie over sociale rechtvaardigheid. In Pleckmans, & Klement, Rawls, een inleiding in zijn denken (pp. 32-52).
