Ik ga de volgende vooronderstelling behandelen: “Wetenschappers houden zich louter met feiten bezig.” Dit doe ik omdat een aantal, in de media geroemde, wetenschappers dit dogma consequent bezigen richting het publiek. Daarmee zich afzettend tegen de religie, zogenaamde pseudowetenschap, spiritualiteit en dergelijke dingen. Zij zien zichzelf als de profeten van een nieuwe wereldorde op basis van wetenschap en rede.
Een wetenschapper is de beoefenaar van een vak waarin hij of zij zich bezig houdt met het verwerven van kennis. De definitie van wetenschap is daarom ook het weten naar ervaring of systematische verworven kennis en het daarmee verder uitbouwen van die kennis op een systematische manier. Een feit is een omstandigheid waarvan de werkelijkheid vaststaat of ook wel een handeling waarvan de zekerheid bestaat dat deze gedaan is.
Dit betekent het volgende als deze uitspraak waar is. Een wetenschapper houdt zich bezig met een vak waarin hij kennis verwerft gebaseerd op omstandigheden waarvan vast staan dat ze waar zijn. Dit betekent dus nog niet dat wanneer men een vooronderstelling gaat onderzoeken, zoals ik nu ook doe, ze al weten wat de uitkomst is. Wat volstrekt logisch is anders hoef je het niet te onderzoeken. Hun onderzoek zou dan wel gebaseerd moeten zijn op een feit of meerdere feiten. Een wetenschapper zou zodoende dus nooit verder kunnen gaan met onderzoeken als er met absolute zekerheid vast staat dat het gebaseerd is op een vaststaande werkelijkheid.
In de natuurwetenschappen gaat men uit van wetten. Voor veel mensen staan deze wetten gelijk aan feiten. Ze zijn empirisch bewezen en universeel toepasbaar. Toch ontdekken wetenschappers vaak zogenaamd nieuwe feiten. Deze zorgen ervoor dat hun eerdere kijk op de zaken verandert. Dit is allemaal nog billijk. Iets kan een feit zijn en daarop gebaseerd kun je tot nieuwe feiten komen. Hiermee ga je de diepte in. Zoals dat je groen licht ontdekt en later er achter komt dat het bestaat uit geel en blauw licht. Om vervolgens na het ontdekken van rood licht te zien dat het samen wit licht vormt. Toch zitten de wetenschap vol met aannames die gebracht worden als feiten. Zelfs in de wiskunde zie je dit terug in de vorm van axioma’s.
Bertrand Russel stelt dat we kunnen aannemen dat iemand die opvattingen en theorieën heeft die de moeite waard zijn, want gebaseerd op een zekere ervaring, toch nog steeds niet de absolute waarheid kent. Dat betekent dus dat je iemand zijn visie noch met volledige minachting noch met volledige bewondering moet aanschouwen. Je moet een kritische afstand houden en je met een bepaalde welwillendheid verhouden tot de conclusie. Ook als dit jouw constructie van de zelf gevormde realiteit doet wankelen. Krishnamurti verwoordt het in mijn ogen zeer scherp met de volgende uitspraak: “Begrip is creatief, geheugen niet, herinnering niet. Begrip is de bevrijdende factor, niet de dingen die jij in je hoofd hebt opgeslagen.”
Om tot een absoluut begrip te komen met de geest vrij zijn, los van zijn lichamelijke behoeftes volgens Socrates. Het lichaam zorgt ervoor dat we dwaze dingen doen. Aan wetenschap doen om een gevierd man of vrouw te worden zorgt er dan voor dat je de feiten niet meer helder ziet. Betaald krijgen voor een ontdekking zorgt ervoor dat men een verkeerde stimulans meekrijgt. Deze staat de waarheid in de weg.
Het gaat in de wetenschap dus om het principe nieuwe kennis te vergaren. Daarom kan het dogmatisch vasthouden aan ‘feiten’ nu juist de ontdekking van nieuwe waarheden in de weg zitten. De archè van wetenschap is dus niet per se het vinden van antwoorden, maar nu juist het zoeken van nieuwe vragen.
